Apocalyptisch oerwoud of bescheiden vrolijkheid.

Kerkvernieuwing in Nederland en Vlaanderen.

Verslag van het studieverlof van ds. Herman Heijn.

 

Enkele zinnen vooraf:

Mijn studieverlof, zomer 2003, heb ik besteed aan het doordenken van het werk van de beraadsgroep Missionaire Presentie van de Raad van Kerken in Nederland. Die beraadsgroep, waar ik lid van ben, analyseert 13 plekken in Nederland en Vlaanderen waar sprake is van kerkvernieuwing. Zij sluit aan bij een soortgelijk project in Groot-Brittannië, ‘Building bridges of hope’, waar ik eveneens bij betrokken ben geweest.

 

Gaande weg mijn lezen, denken en van gedachten wisselen ontwikkelde zich in mijn gemoed een dubbel gevoel. Enerzijds een kiem van optimisme aangaande de kerken in Nederland. Er zijn verschillende signalen die er op wijzen, dat we niet meer kunnen spreken over ‘het einde van het Christendom in het westen’. We mogen misschien zelfs wel spreken van een ‘bescheiden vrolijkheid’ als het gaat om de toekomst van ons geloof. ‘Bescheiden vrolijkheid’ is een term die ik aan Theo Witvliet ontleen. Het andere gevoel heeft te maken met de snelheid van veranderingen die onze planeet treft. Vooral de grenzenloosheid van het bestaan en de alomtegenwoordige geldmakerij als levensdoel, met als bijproducten armoede, sociale uitsluiting, globalisering, milieuvernietiging en vooral vervreemding, hebben mij zeer geschokt. In dit verband heb ik de term ‘apocalyptisch oerwoud’ gebruikt, met een knipoog naar het boek van de Duitse filosoof Safranski over het globaliseringsproces en onder de indruk van het laatste boek van Ton Lemaire over de relatie tussen mens en landschap.

 

Kern van mijn studie vormde het werk van drie theologen, n.l. dat van prof.dr. Theo Witvliet (oecumenicus), prof.dr. Gerard Dekker (godsdienstsocioloog) en dr. Gerrit Jan v.d. Kolm (missioloog). Daarom heen las ik een aantal cultuurfilosofen (Safranski, Achterhuis, Lindijer, Kunneman) om meer zicht te krijgen op de culturele context waarin wij leven. Ook raadpleegde ik enige achtergrond literatuur (Groot, Sperna Weiland, von der Donk, Rooze). Tenslotte wisselde ik van gedachten met o.a. dr. Chris Doude van Troostwijk (filosoof), drs. Wout van Laar (secr. Nederlandse Zendings Raad) en drs. Ineke de Feijter (theoloog/mediadeskundige).

 

Mijn verslag schreef ik met name voor de genoemde beraadsgroep. Toch denk ik dat anderen, er ook hun voordeel kunnen mee kunnen doen. Het proces van verandering, waaraan kerken in Nederland zijn blootgesteld treft immers allen!

 

Ter verduidelijking; het woord ‘vindplaatsen’ slaat op de 13 parochies, gemeenten, projecten die in de beraadsgroep geanalyseerd zijn.

 

 

Inleiding: kentering der tijden.

De historicus H.W. von der Dunk opent zijn grootse werk over de cultuur van Europa in de 20ste eeuw met een interessant gedachten experiment. Hij vraagt zich af hoe iemand uit de tijd van keizer Augustus zou reageren als hij in het jaar 1900 zou belanden. Ik citeer: “Maar als een tijdgenoot van Augustus, zoals is opgemerkt, rond 1800 even terug had kunnen komen op deze planeet zou hij toch in wezen, ondanks enige verbazing over kleding, architectuur, wonen en nog allerlei zaken, zijn oude aarde hebben herkend. Niemand weet dat uiteraard zeker. Maar dat onze Lazarus honderd jaar later het gevoel zou hebben gehad op een andere planeet te dwalen, lijkt buiten kijf.” ( von der Dunk 13) Zo kunnen we ons ook afvragen hoe iemand die in pakweg 1900 volwassen was, onze tijd zou ervaren. Ik denk dat zo iemand onze wereld misschien nog ietwat vaag zou herkennen als zijn oorspronkelijke planeet, maar er zich volstrek vreemdeling zou voelen. Ongeveer zoals opgemerkt wordt door de godsdienstsocioloog Gerard Dekker: “.. de samenleving wordt in de belevingswereld van mensen abstract; ze hebben er geen inzicht in en ze hebben er ook geen greep op. Anders gezegd: ze ‘leven’ er niet in, maar ervaren haar als een gegeven en veelszins ook als een vreemde grootheid.” (Dekker 49). Waarom ervaren mensen onze hedendaagse cultuur als een vreemde grootheid? Na een zomer lezen en denken meen ik dat er twee zaken spelen. Ten eerste is er een fundamentele verschuiving opgetreden in wat wordt genoemd ‘het tijdruimte’ paradigma. Dus een ingrijpende verandering in de wijze waarop wij ‘tijd’ en ‘ruimte’ beleven.

Ten tweede omdat de dynamiek die de moderniteit al gewetenloos leek voort te stuwen, in deze tijd in een haast niet meer te stuiten stroomversnelling lijkt te zijn terechtgekomen. Met andere woorden, wat men in 1900 nog kon omarmen als ‘vooruitgangsgeloof’, wordt in onze dagen ervaren als één grote Babylonische spraakverwarring.

Drie citaten illustreren bovengenoemde vooronderstellingen. De eerste twee zijn afkomstig van de Duitse filosoof Rüdiger Safranski, de laatste is van de Nederlandse theoloog/filosoof Hans Achterhuis. Over tijd en ruimte: “ ‘Hier’ wordt ‘ergens anders’ en uiteindelijk ‘overal’. Er ontstaat een homogene ruimte en een nieuwe gelijktijdigheid. Het sterk getrapte systeem van waarnemingshorizonnen, dat straals- en trapsgewijs rond het centrum van het individuele lichaam is opgetrokken, lost op. Het verafgelegene hindert ons door een bedrieglijke nabijheid, en het gelijktijdige, waar afstand ons tegen beschermde, dringt in onze eigen tijd binnen.” (Safranski 96/97)

Of, met een theologische knipoog naar de titel van het boven geciteerde werk van von der Dunk, dat veelzeggend ‘De verdwijnende hemel’ heet, het volgende citaat: “Het christendom voerde daarentegen de geniale onderneming uit een spiritueel rijk in te bouwen in het Romeinse wereldrijk. De grenzen van beide rijken mochten op aarde samenvallen, maar het spirituele rijk van de christenen was naar boven toe open… Voor ruimte was gezorgd. En op die ruimte, bezielde en te bezielen ruimte, kwam het aan, zowel toen als nu.” (Safranski 80)

Over de versnelling van de genoemde dynamiek schrijft Achterhuis; “We zitten niet in een donkere tunnel waarin we langzaam maar zeker vooruit gaan naar de uitgang, maar in een soort cycloon die ons steeds sneller in de rondte doet tollen, achter de bevrediging van steeds meer behoeften aan.” (Achterhuis 44)

 

Waarom deze vooronderstellingen genoteerd, inzake ons gezamenlijk denken over ‘missionaire presentie’ van parochies, gemeenten of groepen in ons Nederlands taalgebied?

Omdat zich, al lezende en reflecterende, simpelweg hoe langer hoe meer bij mij de vraag opdrong: ‘presentie’ waarin? In welke cultuur? In welke context? In welk ‘tijdruimte’ paradigma en in het spanningsveld van welke dynamiek zijn onze vindplaatsen, onze veertien projecten, zijn ook wij beland? En vooral wat betekent dat voor onze theologische/oecumenische/missionaire agenda?

( Ineke de Feijter noemt in dit verband het belangrijke werk van de Amerikaanse theologe Kathryn Tanner, die een boek schreef met de veelzeggende titel; “Theories of Culture, a new agenda for theology”, Ineke komt daar ongetwijfeld in onze beraadsgroep op terug op. Gerrit Jan van der Kolm wees mij op zijn proefschrift, met in hoofdstuk IV een mooie analyse van, wat hij noemt, de “dynamieken” en “verschijnselen” die direct ingrijpen op het sociale leven van mensen. Ik kom daar op terug).

 

Nu heb ik al eerder de term ‘postmodernisme’ in onze beraadsgroep, laten vallen. Die werd evenwel vanwege gevaar voor begripsverwarring en streven naar consensus, door de achterdeur afgevoerd. Maar ik meen dat we ons er niet zomaar vanaf kunnen maken! Want, even afgezien van mijn eigen vooronderstellingen, levert een rondje hedendaagse theologie en cultuurfilosofie een glashelder beeld op van, de dramatische veranderingen in onze cultuur. Veranderingen die onze hersens, harten en handen direct beïnvloeden. Ik noem een aantal voorbeelden ter illustratie:

“Kentering der tijden” en “ingrijpende maatschappelijke veranderingen” (Lindijer 10 en 129), “Nieuwe werkelijkheid” (Achterhuis 58), “Aardverschuiving” (Kunneman 59), “Diepgaande verschuivingen in ons wereldbeeld” (Lemaire 268), “Scherpe discontinuïteit met het verleden” (van der Kolm 149), “Nieuwe tijdzones, tijdperken” (Safranski 22), “Cultuuromslag van modern naar postmodern” (Dekker 36), “Erosie en transformatie van traditie” (Witvliet 18-28!), “decisive postmodern shift in the anthropological understanding of culture ” (Tanner X).

Tussen twee haakjes, er is vanzelfsprekend niet alleen sprake van een breuk met het verleden, er valt gelukkig ook een continuïteit met het verleden te constateren. Aan de hand van twee voorbeelden, ontleend aan respectievelijk Witvliet en van der Kolm, kom ik daar hieronder op terug.

 

Het zou nu logisch lijken, om ons te laten verleiden tot een geanimeerde discussie over het gelijk van de theoloog Witvliet, die het begrip ‘late moderniteit’ gebruikt tegenover de theoloog Lindijer die het begrip ‘postmoderniteit’ met gretigheid hanteert. Of om de door theologen met instemming geciteerde Engelse socioloog A.Giddens eerder na te volgen, inzake zijn begrip ‘Late Modern Age’ , dan de Nederlandse filosoof Kunneman gelijk te geven in zijn overtuigende gebruik van de term ‘postmoderniteit’. En behalve verleidelijk is het ook, zo begin ik te begrijpen, niet meer van deze tijd om te werken met vaste begrippen en definities. Elk begrip verandert namelijk permanent en elke definitie moet constant bij elkaar gesprokkeld worden. Witvliet, Tanner en van der Kolm leggen daar, met verschillende accenten, keer op keer in hun respectievelijke boeken de nadruk op. Witvliet waar het gaat om het begrip ‘traditie’ en ook waar het gaat om het begrip ‘cultuur’. Van der Kolm wijst er o.a. op bij het begrip ‘identiteit’, maar laat deze gedachte ook doorwerken tot in de christologie. Christus wordt door hem niet alleen als de ‘Gekomene’ benadrukt, maar ook als de ‘Komende’ en dus nog veranderlijke Messias beschreven. Tanner richt zich op het begrip ‘cultuur’ die telkens verandert en zo ook onont­koom­baar het gangbare academische theologische discours open zal breken.

 

Waar het mij evenwel om gaat is zicht te krijgen in de wereld waarin wij nu leven.

Het is voor ons, meen ik, veel belangrijker Van der Kolms analyse van ‘dynamieken’ en ‘verschijnselen’ naast onze vindplaatsen te leggen, dan oeverloos te redeneren over begrippen die aan permanente herziening onderhevig zijn. Immers de cultuur waarin wij leven is niet neutraal. Dekker stelt terecht; “Levend in een bepaalde samenleving gaat de cultuur van die samenleving ons als het ware in het bloed zitten.” (Dekker 45)

    

Wat ik nu eerst doe is aan de hand van de gevonden ‘kenmerken’ (tendensen) van ‘vindplaatsen’ laten zien, hoe zeer men feitelijk bezig is met het zoeken naar een aansluiting bij de sterk veranderde cultuur. ( Dank Dineke Spee, Nynke Dijkstra, Nienke van Dijk, ik heb geprobeerd jullie kanttekeningen mee te nemen.) Dat zelfde geldt grosso modo voor de gevonden ‘spanningsvelden’. ( Dank Gerrit Jan van der Kolm, je zult hoofdstuk IV van je boek herkennen). Ik sluit dan af met een aantal vragen en opmerkingen, die, zo besef ik nu, gaan in de richting van een door mij gestelde, maar niet beantwoorde vraag n.l. “Wat hebben we gemist ?”. (Dank Ineke de Feijter voor haar inbreng ook op dit punt).

 

Kenmerken die komen bovendrijven bij analyse van de vindplaatsen.

Na de 14 verslagen van werkbezoeken aan de vindplaatsen te hebben besproken in de beraadsgroep, is het boeiend te zien of zich een patroon ontvouwt. Om enig zicht te krijgen op de veelkleurigheid die uit de rapportages naar voren komt heb ik de verslagen gerangschikt aan de hand van 6 parameters. De eerste kwam uit de verslagen zelf boven drijven; dat is gastvrijheid. De tweede vormt de context waarbinnen parochies, abdijen, gemeenten en projecten werken, n.l. lokaal (wijk, dorp), regionaal of nationaal.

Een derde parameter was de opmerkingen die gemaakt zijn m.b.t. de liturgie. In de vierde plaats heb ik de resultaten van de bezoeken bekeken op inspiratiebronnen, impulsen. In de vijfde plaats heb ik gezocht naar het gezicht, het profiel, naar het eigene van de vindplaatsen.

Tenslotte heb ik de taak in de wereld, de missionaire presentie van de verschillende vindplaatsen op een rijtje gezet. Zo ontvouwde zich een dwarsdoorsnede waaruit een zevental springende punten, kenmerken, naar voren kwamen. Het zal duidelijk zijn dat die punten in accentuering nogal verschillen per plaats, toch is het opvallend dat er ook in het opvallende gelijkvormige kenmerken waar te nemen zijn.

 

De zeven kenmerken uit de vindplaatsen sluit ik hieronder kort met kanttekeningen uit de door mij bestudeerde literatuur.

 

1. Profielen.

Het is opvallend dat er op lokaal niveau sprake is van een duidelijke profilering. Men werkt aan het krijgen van een eigen gezicht. Die eigen gezichten zijn evenwel sterk verschillend, ook binnen gelijke denominaties. De Doopsgezinde Gemeente Wageningen heeft een sterk kindvriendelijk profiel ontwikkeld. De Scots International Church in Rotterdam vormt een Engelstalige internationaal netwerk. De Buitenwacht in Dordrecht is op zoek naar de ‘wordende kerk’ in haar eigen context, waarbij de christelijke traditie uitgangspunt is, maar geen exclusieve referentie. “We kunnen geen christen zijn zonder atheïsten en moslims”. In de Eleousa communiteit in Vught heeft men het kenmerkende uit de eigen traditie ‘de barmhartigheid’ als profilering gekozen en dit zeer eigentijds en met veel gevoel voor kwaliteit en stijl uitgewerkt richting het begrip ‘arbeid’. De pastoor van de St. Petrusparochie in Oisterwijk heeft, overigens op zeer integere wijze, een zeer Rooms Katholiek profiel gekozen: de sacramenten staan centraal. Maar diezelfde parochie kent evenzogoed een zeer eigentijdse vorm van internetpastoraat. Met andere woorden: ook een traditie kan als een profiel worden gekozen. Een gezicht kan ook contrastrijk zijn. Zo heeft de Nederlands Gereformeerde Kerk te Houten een orthodoxe leer gekoppeld aan een zeer levendige, haast Afrikaanse, liturgie. “Naarmate je helderder bent over de kern, kun je flexibeler zijn naar de vormen” aldus de predikant ter plaatse, ds. Westerkamp. Kortom: hier wordt o.a. zichtbaar de godsdienstsociologische trend van denominaties naar congregaties.

Wat eveneens opviel en bovendien uit de mondelinge toelichtingen van de leden van de beraadsgroep bleek was wat we noemden ‘het oprechte geloof’. Hoewel dat geloof wel grote verschillen laat zien; van diepgeworteld doopsgezind tot orthodox katholiek, van Afrikaans christen tot vrijzinnig Hollands, van zeer evangelisch tot zeer geëngageerd. Er is dus sprake van een vrijmoedige articulatie van het bijbels getuigenis en een groot vertrouwen in de eigen taak tot navolging. Zeker voor voorgangers en kader geldt, dat het geloof een levensopdracht is. Men gaat ervoor. Het gaat dus duidelijk om veel meer dan om een elegante vorm van vrijetijdsbesteding.        

De bekende eenheid van stijl, of het voortdurend streven naar consensus, is ver te zoeken. Zowel waar het gaat om de vieringen, als op vele andere fronten put men naar believen uit allerlei religieuze bronnen. Ook oecumenisch gesproken, zoekt men niet naar ‘heilige’ eenheid. “Wij doen het zo, laat anderen het anders doen.” (van Hiele). “Voor mij is dit de waarheid, u mag daar anders overdenken”. (van Buytenen).

Gemeenschappen zijn van belang, men legt sterke nadruk op de koinonia. Het gekend en erkent worden in de eigen groep.

 

Commentaar:

Wat boven beschreven is onder profilering, komen we in de literatuur o.a. tegen onder de titel ‘differentiatie’. Het is één ingrijpend aspect van de dynamiek in onze cultuur, die onze samenleving op de schop neemt. “Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in de samenleving wordt veroorzaakt door wat wel het proces van differentiatie wordt genoemd. Dat houdt in dat allerlei sectoren en aspecten van het leven zich in de loop van de tijd ten opzichte van elkaar gaan verzelfstandigen, waardoor we te maken krijgen met een veelheid van eenheden en verbanden, die alle gespecialiseerde taken verrichten en een eigen werkingssfeer hebben.” (Dekker 46) De samenleving valt dus uiteen in wat heet verschillende deelsamenlevingen. Het is daardoor bijvoorbeeld veel onbegrijpelijker en onzichtbaarder geworden wat iemand doet. “Waar de één hele dagen mee bezig is, is voor de ander een raadsel.” Er is daardoor sprake van “fragmentatie van menselijk samenzijn.” “Er is geen overkoepelende gemeenschap meer.” (Dekker 46)

“De kerk is een ‘expert system’ geworden.” (van der Kolm 150-151) Ongetwijfeld speelt dit proces mee in de profilering van gemeenten. Ieder z’n eigen specialisme. Elke parochie of gemeente z’n eigen gezicht.

Maar er valt ook te denken aan de waarde die het postmoderne toekent aan ‘het verschil’. “Het postmoderne relativisme dat voor de hedendaagse cultuur kenmerkend is, vormt namelijk niet alleen een teken van diepe desillusies, maar verwijst ook naar een verstrekkend leerproces, naar een nieuwe ruimte voor het toelaten van verdeeldheid en verschil, van onveiligheid en tegenstellingen, van heterogeniteit en individuele bijzonderheid.” (Kunneman 31) Zo bezien zijn onze vindplaatsen gaan staan in de nieuwe ruimte die de hedendaagse cultuur biedt aan ‘individuele bijzonderheid’, ook waar het om parochies of gemeenten gaat.

Het zou overigens ook kunnen, dat we de alomtegenwoordige cultus van markt en concurrentie als vorm van syncretisme in onze traditie hebben opgenomen. Dat we lokale kerken als het ware simpelweg ombouwen, met ieder zijn of haar assortiment van de religieuze delicatessenmarkt in de winkel. Ik vond in het verlengde van deze laatste gedachte enkele fraaie zinnetjes bij Sperna Weiland. “ Marx is nu, nadat de Muur is gevallen en Fukuyama het einde van de geschiedenis heeft afgekondigd, even uit, maar hij komt terug. Wij kunnen zelfs nauwkeurig vaststellen wanneer hij terug zal komen: zodra het geloof in de zegeningen van de met een hoofdletter geschreven Markt gaat tanen.” (Sperna Weiland 19)

In dit verband is het paper van Veerle Rooze (bedrijfsdeskundige/theoloog) met als titel ‘Het product God’ interessant. Zij stelt nadat ze meer dan 20 kerkelijke beleidsplannen heeft onderzocht “Kerken gaan net doen alsof ze een bedrijf zijn dat zich in de markt moet positioneren.” “De kerk moet een stevig product neerzetten. Het product ‘God ’.” Maar, zo besluit ze haar paper, “Producten overleven de hype niet. God wel. Misschien dat dat nog wel het sterkste argument is om God maar niet als product te gaan verkopen.”  Safranski gaat ook op deze gedachte in. Hij zegt: “Wij in het Westen zijn het tijdperk van een geseculariseerd polytheïsme binnengegaan. In de pluralistische maatschappij zijn er vele goden, vele waardemaatstaven, een groot aantal religieuze en half religieuze zinsduidingen. De ene God die ooit het spirituele verband van de maatschappij van het avondland waarborgde, is in vele kleine huisgoden uiteengevallen. Terwijl de grote kerken leeglopen, groeit het aanbod voor de religieuze hobbykelder.” (Safranski 68) En in hoeverre zijn kerken zich niet als “hobbykelders” op de markt van zingeving en gemeenschap aan het aanbieden? Zijn we eigenlijk wel kritisch genoeg als christenen ten opzichte van dit soort aan het evangelie vreemde economische ‘wetmatigheden’?

Wat tenslotte een rol speelt is de kwestie van identiteit. Gerrit Jan van der Kolm wijst op het grote belang van ‘identiteit’ en ‘identiteitsontwikkeling’. Mensen willen ergens bij horen en ergens door erkend worden. (van der Kolm 161-164) Gemeenten en parochies bieden, juist door hun nieuwe verscheidenheid, een zeer kleurrijk palet aan mogelijkheden om erbij te horen. Theo Witvliet wijst in dit verband op het belang van traditie als een mogelijkheid ‘geborgenheid’, ‘zingeving’ en ‘het verlangen naar grenzen’ vorm te geven. (Witvliet 22-28 )

 

2. Lokaal en globaal.

Wat ook zichtbaar wordt is de bijna afwezigheid van het nationale niveau als inspiratiebron. De oriëntatie op het nationale, op dus vaak het denominale, neemt dramatisch af en de gerichtheid op het lokale neemt sterk toe. Van de 13 is er één landelijk actief (Vught), zijn er vier die ook een regio bedienen (Wageningen, Antwerpen/Lier, R’dam SIC, Berne). Alle anderen zijn vooral op de wijk, het stadsdeel of het dorp gericht. Ook het gezicht naar de wereld heeft vooral locale kanten. Men speelt in op met name de directe noden in de concrete omgeving, die voor alle duidelijkheid, niet zelden het gevolg zijn van mondiale processen.

In veel vindplaatsen tekent zich wel een voorzichtige globale impuls af. Vanzelfsprekend in die gemeenten die daar hun profiel voor een deel aan het globaliseringsproces ontlenen; in Amsterdam the House of Fellowship, in Rotterdam the Scots International Church en the International Christian Fellowship. Een mondialisering overigens die de Bijlmer binnen één generatie, van het meest seculiere stadsdeel ter land, ter zee en in de lucht, heeft omgevormd tot een wijk waarbinnen meer dan inmiddels tachtig kerken groeien en bloeien. Een Biblebelt waar ze in Spakenburg van kunnen dromen!

Toch komen we in de verslagen ook Afrikaanse impulsen tegen waar we ze niet één twee drie verwachten (ds Bouw en ds Westerkamp), of Iona Schotland (ds van Hiele), Saddleback Church U.S.A ( Theo Visser), Italië (St Egidius Antwerpen).

Andere impulsen komen uit een ontdekkingstocht in de tijd, in de veelkleurige christelijke traditie, zoals het hervinden van de eigen traditie (Vught/Oisterwijk) of men put uit een bepaalde stijl zoals de liederen van de Amsterdamse theoloog Huub Oosterhuis in het Vlaamse land (Antwerpen/Lier).

Er is dus sprake van inspiratie uit andere contexten en niet uit de structuur van de eigen veelal nationaal georganiseerde kerk.

 

 

Commentaar:

De globalisering is misschien wel het voorbeeld van een versnelling binnen processen die al eeuwen spelen. Columbus begon er ooit mee, maar nu varen we met z’n allen in zijn schuitje. Of beter gezegd, in een Jumbojet die in enkele uren de afstand overbrugt waar Columbus vele maanden voor nodig had. Naast de differentiatie heeft vooral de schaalvergroting in de vorm van mondialisering dus een grote invloed op onze cultuur. In bijna alle door mij gelezen literatuur speelt het nadrukkelijk mee. De titel van Safranski’s boekje “Hoeveel globalisering verdraagt de mens?”, spreekt wat dit betreft boekdelen. Voor ons nadenken is het van belang te zien dat juist door de globalisering ook een vorm ‘lokalisering’ optreedt. Dit proces ontstaat als reactie op de schaalvergroting en tegen de steeds maar meer abstract wordende samenleving. Er is zo sprake van toenemende congregationaliteit, van een groter accent op de eigen lokale gemeente. (Dekker 47-49)

Daarnaast zijn er drie tendensen die ik met klem naar voren wil brengen. De eerste heeft te maken met de sterk toegenomen risico’s die samenhangen met genoemd proces. Wat ‘elders’ gebeurt heeft direct consequenties voor ‘hier’. Men spreekt in dit verband van de z.g. risicomaatschappij, waardoor gevoelens van onzekerheid en vervreemding extra worden gevoed. (van der Kolm 159-160, Witvliet 23) De tweede is samen te vatten met de term ‘McDonaldisering’waarmee de hele ‘Logocultus’ samenhangt en van de weeromstuit protestacties van ‘anti-globalisten’ en ‘slow-food’ initiatieven oproept. De derde hangt samen met de term ‘Balkanisering’, een term die verder reikt dan de Balkan, waarmee etnische spanningen, aanslagen en ‘tijdoorlogen’ (Hans Achterhuis) en terroristische samenzweringen worden opgeroepen. Op de laatste bladzijde van zijn boek verzucht van der Kolm in dit verband: “.. gaat het mij om het levensgrote gevaar van balkanisering van de samenleving: steeds meer lijken subgroepen zich op te sluiten in het eigen gelijk langs scheidlijnen van geloof, ras en cultuur…. Een ander deel kiest voor een absolute relativering, waardoor inhoudelijke discussie over werkelijke verschillen in visies, geloof, overtuiging, waarden en normen niet meer gevoerd wordt,.. ” (van der Kolm 250) Met potlood schreef ik naast deze zinnen; “dit is de eigenlijke discussie waar wij als kerken voor horen te gaan!”

 

 

3. Gastvrijheid.

Opvallend is de aandacht voor gastvrijheid. In veel nuances wordt hier over                                                                                               bericht. “Laagdrempelig, wijkfeest, lege stoelprincipe, midihuis” (Utrecht Oost). “Kinderen zijn welkom, ontspannenheid” (Wageningen). “Gastvrijheid, thuishaven, Mamre-project” (R’dam SIC). “Vrijplaats, gastenbroeder,onthaasten” (Berne). “Huis voor de buurt, open gemeenschap” (Dordrecht). “Je welkom voelen” (Houten). Men ziet met andere woorden de huidige samenleving niet als een verloren seculier veld, maar treedt zelfbewust naar buiten in het besef “dat de velden wit zijn om te oogsten” (ds. Van Hiele).

 

Commentaar:

Bij mij kwam geïnspireerd door een mooi citaat van F.de Lange, in het boek van van der Kolm, een gedachte op. De Lange zegt: “De gelovige staat niet meer met het hem of haar ‘vertrouwde’ evangelie tegenover de niet-gelovige, maar zij aan zij met de niet-gelovige tegenover het ‘vreemde’ evangelie dat telkens opnieuw moet worden toegeëigend.” (van der Kolm 240) En daardoor dacht ik: zou missionaire presentie in wezen niet veel meer te maken hebben met ‘gast’ durven zijn, dan met gast heer/vrouw te spelen in het eigen vertrouwde huis? Gaat het in wezen niet om het ‘openzetten van de deur’, maar om het zelf ‘door de deur’ naar buiten gaan en weer binnen komen?

 

4.Vieringen.

In de vieringen van de International Christian Fellowship in Rotterdam is twee derde van de mensen niet Nederlands. Logisch want er wordt engels gesproken en gezongen en men vertaalt op verschillende zondagen in respectievelijk het Chinees, Russisch, Arabisch, Frasi, Frans enz. Toch komen er hoe langer hoe meer Nederlanders: “largely because of the inflexibility and dullness in may Dutch churches.” In Rotterdam worden eigentijdse liederen gecombineerd met oude hymnen begeleid op piano, gitaar, fluit en drums. Maar daar niet alleen. In Vught kunnen de klassieke getijden van het klooster ook worden gevuld met yoga of stiltemeditaties. En zo tekent zich het hele beeld bij de verschillende vindplaatsen af. We noteerden: “ experimenteel, speels, creatief, gemeenschap gericht, behapbaar, symbolen, lichamelijk, zalving, drama, levensverhalen, ontspannen, flexibel, Ikonen.”. Uitzondering vormt in zekere zin Oisterwijk, daar vormt immers het profiel juist de klassieke liturgie. Men combineert dus vrijmoedig verschillende stijlen en tradities. In Houten zingt men gospels begeleid door gitaar en drums, maar evenzo goed psalmen op hele noten bij het pijporgel.

 

 

Commentaar:

Ook hier spelen weer een aantal ontwikkelingen op de achtergrond mee, die de omslag in onze cultuur, dus ook in onze liturgische cultuur, verhelderen. Kort door de bocht en vooral protestants geformuleerd: van preek naar viering.

Gerard Dekker merkt in dit verband op: “Tot slot moet nog één verandering genoemd worden die in dit kader ook niet onbelangrijk is, namelijk de grotere plaats die het gevoelsleven gaat innemen.” “En dat betekent in heel het godsdienstig leven dat er minder nadruk gelegd wordt op de (geloofs)kennis en meer op de (geloofs)ervaring, alsmede op rituelen, waarbinnen het gevoelsleven een grotere plaats heeft of kan hebben.” (Dekker 54)

Maar ook hier stuiten we misschien wel een verandering van het genoemde tijdruimte paradigma. Hans Achterhuis die de ‘tijd’ thematiseert, zegt ook iets interessants over wat Gerard Dekker ‘het gevoelsleven’ noemt en wat Achterhuis verbindt met het Duitse begrip ‘Erlebnis’. “Zo’n plotselinge opkomst van een zwaar beladen begrip ( dus Erlebnis. HH) zegt iets over culturele veranderingen, in dit geval iets over onze veranderde omgang met tijd. We moeten tegenwoordig kennelijk van alles beleven in de tijd die ons als mensen gegeven is, we moeten de tijd zinvol invullen en zo onze identiteit creëren.” (Achterhuis 49) Want in een mooie passage over de geschiedenis van de oecumene, verbindt Witvliet drie wezenlijke begrippen met elkaar, die alles te maken hebben met het begrip ‘vieren’ en de problematiek van ‘gastvrijheid’ en zo het hart raken van het kernbegrip uit Witvliets vertoog n.l. het begrip ‘traditie’. “De eucharistie is het brandpunt van deze oiknonia, (..) die in haar belijden en handelen slechts trouw blijft aan haar roeping wanneer ze barrières van ‘ras’, gender, klasse en natie zoekt te doorbreken. Wordt dit laatste werkelijk ernstig genomen, dan heeft dat gevolgen voor zowel de omgang als het begrip traditie. (..) Traditie is daarmee geworden wat zij in feite altijd al was: een ruimte voor avontuur, voor nieuwe ontdekkingen, op basis van wat het verleden aanreikt aan gemeenschappelijke oriëntatie.” (Witvliet 55-56) Aan het slot kom in terug op deze gedachten van Theo Witvliet, omdat voor mij hier een gedachte over de kwaliteit van vieren en traditie wordt in gevoerd, die ik graag koppel aan het filosofische begrip ‘het sublieme’. 

 

5.Weerbarstige realiteit.

In veel rapportages vinden we sporen van het inspelen op de weerbarstige realiteit. Christenen uit onze vindplaatsen reageren vooral op ‘wat hun weg kruist’. In Oisterwijk is dat de eindigheid van het leven zelf. “De uitdaging is om in het leven van de overledene elementen aan te wijzen van het mysterie van Christus en mensen te attenderen op de mogelijkheid om de weg van Christus te gaan.” In Vught brengt reageert men op alle problemen en spanningen die op treden rond arbeid met het centrum “het klooster voor zingeving en werk.” In Rotterdam en de Bijlmer staan alle komen alle problemen rond de multi-ethnische samenleving aan de orde, tot en met de mensenhandel in prostitutie toe. In Dordrecht leert men o.a. omgaan met conflicten en ruzies in de buurt. In Antwerpen heeft St.Egidius o.a. oog voor de dak- en thuislozen met hun problemen. En in Zandvoort ziet men het einde van de eigen gemeente mensmoedig onder ogen en bouwt het eigen bestaan zorgvuldig af.

 

 

Commentaar:

 Hier raken we op nieuw een symptoom van culturele omslag, namelijk het afscheid van het universalisme. Opnieuw laat ik Theo Witvliet aan het woord. “Sinds Kant bestaat er de tendens religie van de ethiek afhankelijk te maken: wij zullen het moeten waar maken. Klinkt in het bijbelse geschriften het gebod van de liefde tot de naaste - degene die op mijn weg komt -, in het ‘christocentrisch universalisme’ wordt de naastenliefde verbreed tot een universele mensenliefde, die, hoe ernstig ook gemeend, in de praktijk niet anders kan dan abstract blijven, sterker nog, juist de grenzenloze solidariteit kan maken dat ik de ander die in mijn buurt is over het hoofd zie.” (Witvliet 45). M.a.w. de omslag die in veel van onze vindplaatsen valt waar te nemen, is die van de naaste in het algemeen naar de naaste om de hoek.

 

 

 6. Handen uit de mouwen.

Wat in veel verslagen zichtbaar wordt is het participatie model. De ICF gemeente werkt bijvoorbeeld met zgn. ‘cell groups’. In Dordrecht hecht men belang dat het proces van vorming, viering en actie ook leidt tot een gezamenlijk leerproces. In Antwerpen bereidt men de vieringen van De Vleugel voor in themagroepen. We zien dus het model oplichten waarbij door activiteiten en participatie geloofsinhouden groeien. Niet eerst leren en dan doen, maar leren door mee te doen.

 

Commentaar:

Gerard Dekker benadrukt het belang van deze zaak. In overeenstemming met Van Peursen stelt hij dat hier sprake is van de overgang van een ontologische naar een functionele leef- en denkwereld. “Dat betekent dat de centrale vragen van mensen minder betrekking gaan hebben op het zijn en meer op de zin, minder op het ‘wat’ en meer op het ‘hoe’, hetgeen een andere houding tegenover de werkelijkheid impliceert. De vragen naar het wezen van de dingen (het ‘wat’) worden gesteld, maar komen pas aan de orde binnen de context van de manier waarop een verschijnsel functioneert. (….)Geloofsbeelden en geloofswaarden worden voor mensen pas reëel als men kan laten zien hoe zulke beelden en waarden concreet kunnen functioneren in het leven van mens en samenleving.” (Dekker 51-52) Voor Gerard Dekker gaat het in zijn boek grotendeels om deze vraag.“Daarmee is de centrale vraag gegeven waarmee ik mij hier bezig houd: hoe moeten de kerken zich opstellen, - dat wil zeggen welke activiteiten moeten ze ondernemen en op welke wijze moeten zij zich organiseren- om hun rol te blijven vervullen in de huidige samenleving ten behoeve van hedendaagse mensen?” (Dekker 37) Het accent, bij de godsdienstsocioloog Dekker, ligt op ‘activiteiten’ en ‘organiseren’, dus op het functioneren van de zaak.

 

 

7. Leadership.

Al eerder noemden we de gedrevenheid van een klein aantal mensen die als ‘motor’ van de vindplaatsen functioneren. Persoonlijke inspiratie en commitment spelen een alles behalve te onderschatten rol. Dat stelt de vraag naar het leadership. Wat in het oog springt is het geringe aantal vrouwelijke leiders. Waar ze zichtbaar zijn, dan vooral als ‘de vrouw van’. St. Egidius in Antwerpen vormt daarop een uitzondering. Dit roept vragen rond emancipatie, contingentie, kwetsbaarheid en continuïteit.

 

Commentaar:

Gerrit Jan van der Kolm schreef in een mailtje aan mij, dat het er per definitie zo aan toe gaat in de zending. Dus ondanks de bedenkingen die we gemaakt hebben! Hij mailt “Mijn probleem is dat zending veel te kerkelijk opgesloten is geworden, zelfs in de evangelische en pinksterbeweging. Het was juist altijd de vrije uitgaande beweging van enkelingen die leidde tot nieuwe gedachten en vormen, en deze stonden altijd in grote spanningsverhouding tot de cultuur waar de zendeling zelf uit kwam, maar die juist daardoor vernieuwend kon zijn.” Het lijkt mij zinvol onze vindplaatsen nog een te bezien vanuit deze visie. Ik zie wel de ‘enkelingen’, maar nog weinig van ‘de vrije beweging naar buiten’. Lindijer en Kunneman schenken overigens uitgebreid aandacht aan de inbreng van feministen, met name van Rosi Braidotti, in de cultuuromslag. (Lindijer 86-97, Kunneman 152-153) Het is dus wel merkwaardig een masculiene meerderheid de kar der kerkvernieuwing te zien trekken. Of hebben we niet goed genoeg, of op nog niet de juiste plaatsen gekeken?

Tot zover de zeven kenmerken.

 

Spanningsvelden, een nieuwe agenda voor oecumenische en missionaire theologie?

 

Gastvrijheid - identiteit.

“En de identiteit dan? En het profetisch geluid dan (comfort – challenge)? En gaat het werkelijk om het ‘anders-zijn’ van de ander? En verandert ook de gastheer door de ontmoeting?” Dat waren de vragen die boven kwamen drijven in onze beraadsgroep. In feite raken we hier de kern van de culturele verandering, die te maken heeft met het toelaten van verschillen en de mondialisering van ons bestaan. Het spanningsveld is dat van de ‘alteriteit en de identiteit’. Dit spanningsveld heeft dus twee kanten. Ten eerste stelt het de principiële vraag naar wezenlijke missionaire openheid. Ten tweede de al even belangrijke vraag naar de eigen identiteit. Zowel Witvliet als van der Kolm gaan in hun boeken uitvoerig en gedegen in op deze zaken. Ze raken, meen ik, de kern van wat op de agenda van de hedendaagse theologie hoort te staan. Is God niet zelf ‘een vreemde’? En hoe ‘vreemd’ zijn wij, mensen naar Zijn Beeld geschapen? Is het juist niet ‘het/de vreemde’ die/dat opnieuw de broodnodige afstand kan scheppen? Of trekt men zich terug in het eigen wereldje, stuiten we hier op de valstrikken van fundamentalisme en Balkanisering?   

 

Lokaal - globaal.

“En wat te doen met het boven lokale, het bisdom, de kerk? En heeft niet elke beweging ook structuur nodig? En hoe duurzaam zijn de vernieuwingen die we zagen? En welke netwerken ontstaan er dan?” Gerard Dekker geeft op al deze vragen keurig antwoord. Maar, en dat is mijn kritiek, het blijven binnen kerkelijke vragen! Al lezende en levende (!) ben ik hoe langer hoe meer ontsteld geraakt van de enorme snelheid en dwangmatigheid van het proces van economisering en globalisering van onze leefwereld. Terwijl wij keuvelen over het voortbestaan van de kerk, wordt Gods schepping in één generatie, ten behoeve van geldmakerij, geruïneerd. Dreigt er een mondiale Balkanisering en happen de mensen die nog niet het slachtoffer zijn van sociale of economische uitsluiting, permanent naar adem. Om nog maar te zwijgen de wereldwijde gettovorming die zowel armen als rijken dwingt zich terug te trekken op eilandjes. De ene groep leeft in een hel van armoede, de andere baadt in een hemel van luxe, wat in werkelijkheid eerder een vagevuur van permanente angst en eenzaamheid blijkt te zijn. Een gevoel dat ik wil omschrijven als het ‘apocalyptische oerwoud’. Apocalyptisch omdat de risico’s die genomen worden niet meer te overzien zijn. Apocalypisch ook omdat ‘het Beest’ dat onze planeet bedreigt anoniem of onbereikbaar lijkt. Oerwoud, in navolging van Safranski, die pleit voor het hakken van een ‘lichting’, een open ruimte in het duistere woud die de hemel zichtbaar maakt. “Wie voor zichzelf in de jungle van het sociale en de overwoekering door globale communicatie zijn lichting wil uithakken, zal het niet redden zonder een begrenzing die van levenswijsheid getuigt.” (Safranski 133) Hier valt veel over te zeggen, maar ik beperk mij tot het geven van een eerste omschrijving van dit spanningsveld, en dat vragenderwijs. Gaat het in de kern van de zaak niet om de vraag hoe mondiale solidariteit te organiseren valt? Zonder enerzijds de geborgenheid (het erbij horen etc.) van het eigen netwerk kwijt te raken? Zonder de eigen nieuw bevochten en telkens veranderende identiteit te verliezen ? Zonder in de valkuil van het universalisme te vallen (zie citaat Witvliet)? Hoe kunnen kerken, die nota bene, het meest fijnmazige en meest omvattende netwerk ter wereld onderhouden, dat netwerk inzetten als alternatief of profetische tegenkracht tegen de goden van de markt- en globaliseringseconomie? Daarmee en daarna stelt zich de vraag hoe het nationale verband dienstbaar kan zijn aan juist deze zaken? Zijn wij feitelijk niet zozeer aan het binnenkerkelijk navelstaren, dat juist de kern van het Oude Testament, “Gij zult geen vreemde goden aanbidden” egocentrisch wordt geboycot?

 

 

Toeval - beleid.

“Of ”,zo spraken we, “gaat het om de herontdekking van de kracht van het gebed, werking van de Heilige Geest, voorrang aan het iets beleven, aan het uit je dak gaan, de mogelijkheid tot wonderen, zalving en healing. En wat met beleid en strategie? En wat met reflectie en theologie, zelfs academische theologie?” Kortom hoe verhoudt zich de ‘hertovering’ van onze samenleving tot de ‘rationaliteit’ die ons met de paplepel is in gegeven? En is elk wonder, elk toeval ook werking van de Geest? Waar we vroeger permanent Gods Geest voor de voeten liepen, plakken we nu, naar eigen believen, Gods Geest op alles en nog wat. Aansluitend bij een gedachte van Gerrit Jan van der Kolm nog een voorzetje van mijn kant. Eerst even Gerrit Jan…. in zijn boek betoogt hij dat mensen zich organiseren in netwerken. Dat doen ze omdat ze ergens bij willen horen en her- erkenning zoeken. Mensen zijn nu eenmaal zo geschapen (continuïteit dus). Vroeger deden ze dat van generatie op generatie in bestaande gemeenschappen, nu doen ze dat via constant veranderende netwerken. De gedachte van Gerrit Jan is nu; dat als zo’n netwerk een bepaalde kwaliteit heeft, je mag spreken van gemeenschap. Vraag is vanzelfsprekend, welke kwaliteit? (van der Kolm 192) Zo kunnen we misschien ook spreken over toeval. Toeval kan werking van de Geest zijn, als er sprake blijkt te zijn van een bepaalde kwaliteit die door dat toeval zichtbaar wordt. Opnieuw de vraag; welke kwaliteit. Mijn voorstel nu is om die kwaliteit te zoeken in het begrip ‘het sublieme’. “Een betoog is (...) subliem als het onvergetelijk en onweerstaanbaar is en veel te denken geeft.” (Lindijer 67-68) We raken daarmee het terrein van de kunsten, van de verbeelding. Juist daar heeft men ervaring met dit spanningsveld. Het spontane, het creatieve enerzijds, de reflectie, analyse anderzijds. Het gaat dus om de kracht, de kwaliteit van de verbeelding. Safranski spreekt over “het proeftoneel van de kunsten en later misschien ook in de rest van het leven”.(Safranski 132). Ook het religieuze leven denk ik. Het gaat bij het ‘sublieme’ ook om de beweging naar het enerzijds andere, (zie Witvliet over traditie), en het anderzijds begrenzende. “Het is de wil tot vorm die een streng afgebakende betekeniszone schept, die we vervolgens kunst noemen en van de rest van het dagelijks leven onderscheiden.” (Safranski 132).  

Als wat ik ‘toeval’ noem dus een uitwerking heeft in de zin van ‘het sublieme’, stel ik voor om te spreken van ‘kwaliteit’, voor mij zou dan de werking van de Geest kunnen zijn.

 

Leadership – kerkelijke structuren.

Ons laatste spanningsveld. We zagen in de vindplaatsen aan charisma en nadruk op het individuele. Zagen te weinig vrouwelijke leaders! Vroegen ons af: “hoe omgaan met crisis (durven we te sterven, ook als gemeenschap?)” Waren bezorgd over continuïteit? Vroegen ons af: “hoe een grotere gemeenschap gedacht moest worden, hoe om te gaan met bovenlokale verbanden?” Waren bezorgd over de voortgang van de traditie door de generaties.

Er spelen hier verschillende zaken. Zo individualiseert de cultuur bijvoorbeeld in een sneltreinvaart. Daar reageert de kerk bewust of onbewust op. Zo zijn de traditionele vormen van gemeenschap bijvoorbeeld ofwel al verdwenen ofwel sterk in betekenis aan het afnemen. Zo is het misschien ook wel altijd geweest: een paar gedrevenen, zotten (Fransiscus van Assisi), trekken de kar een nieuw tijdperk in. Witvliet geeft hier een mooie analyse vanuit het begrip traditie. Hij onderscheidt vier functies van traditie. A) Het overdragen van waarden en normen op grond van gezag. B) Het legitimeren van bepaalde maatschappelijke praktijken en machtsverhoudingen. C) Het bieden van een zingevend kader. D) Het verschaffen van een identiteit aan een individu of groep. Witvliet stelt nu dat A) en B) enorm aan functie hebben verloren, terwijl C) en D), tegen alle secularisatie in, onverwacht in een grote hernieuwde belangstelling staan. Dat vraagt om een transformatie op alle fronten in gemeenten en parochies en om leidinggevenden die de verandering aangaan zonder zelf in A) terug te vallen of B) te omarmen. Maar zo vraag ik mij af, moet die leiding niet toegerust worden en niet vooral ook in de rug gedekt worden? Wie kan deze heksentoer in zijn of haar eentje aan?

Gerrit Jan van der Kolm spreekt over ‘een spannende tussenruimte’ waar ‘het moeilijk uit te houden is’. (van der Kolm 250)

 

 

Wat hebben we gemist?

Eigenlijk drie dingen. Allereerst wat zich buiten de kerken afspeelt. Ik denk aan de korte maar belangwekkende inbreng van Hannie van Dijk over de politie in Kennemerland. Ik denk aan de suggestie van Ineke de Feijter om de media eens te onderzoeken op dit punt. Ik denk aan de uitspraak van Gerrit Jan van der Kolm dat zending/missie te veel kerkelijk opgesloten is geworden. Ik denk aan de boeken van Achterhuis, Safranski en Lemaire ze pleiten, op verschillende manieren, om aan de jungle van ons hedendaagse bestaan te ontsnappen, door eigentijdse vormen van ‘sabbatmomenten’ te scheppen. Zouden wij als kerken hun bondgenoten niet moeten worden in dit soort streven?

 

Vervolgens mis ik nog het ‘vrije’ in onze gedachtewisseling. Zitten we nog niet te veel vast aan de ‘consensus oecumene’, niet te veel vast aan de crisissen waar de overgrote meerderheid van de kerken zich in vastgebeten heeft?

 

Tenslotte zit ik in mijn maag met het begrip ‘hoop’ in verband met de term ‘vindplaatsen van hoop’. Wat ik mis is een goede analyse van dit begrip. Over welke ‘hoop’ praten we? En voor wie is die ‘hoop’ bestemd, voor de kerk, voor de samenleving?

Kortom; nog genoeg werk aan de winkel!

 

Bescheiden vrolijkheid.

Tenslotte geef ik Theo Witvliets citaat waaraan ik de titel van dit concept artikel heb ontleend. “De ecclesia (kerk) is een overlevering toevertrouwd, waarover zij geen beschikkingsrecht heeft. De traditie is een tijdsruimte waar zij zelf in opgenomen is, maar die haar grensgebied ver te buiten gaat. Dit fundamentele inzicht zou enige bescheiden vrolijkheid en ontspanning te voorschijn kunnen toveren op de meestal zorgelijke gezichten van westerse kerkleiders. Het heil hangt niet van hen af, noch van hun kerken. Het zou ook voor openheid en nieuwsgierigheid kunnen zorgen,….” (Witvliet 69)

Bescheiden vrolijkheid. Bescheiden want: “De ware luciditeit bestaat in het inzicht in onze beperkingen, dus in bescheidenheid.” (Lemaire 167) En vrolijk als knipoogje naar Nietzsche, want als geen ander speelt zijn gedachtegoed door in de cultuur van deze tijd.

 

Heemstede, Zomer 2003

 

Bestudeerde literatuur:

Dekker, Gerard, 2000, Zodat de wereld verandert, over de toekomst van de kerk, Baarn.

Witvliet,Theo, 1999, Gebroken traditie, christelijke religie in het spanningsveld van pluraliteit en identiteit, Baarn.

Lindijer, Coert H., 1998, Postmodern bestaan, menszijn en geloven in een na-moderne cultuur, Zoetermeer.

Safranski, Rűdiger, 2003, Hoeveel globalisering verdraagt de mens?, Amsterdam, Antwerpen.

Lemaire, Ton, 2002, Met open zinnen, natuur, landschap, aarde. Amsterdam.

Kunneman, Harry,1996, Van theemutscultuur naar walkman-ego, contouren van postmoderne individualiteit. Meppel.

Achterhuis, Hans, 2003, Werelden van tijd, Rotterdam.

Van der Kolm, Gerrit Jan, 2001, De verbeelding van de kerk, op zoek naar een nieuw-missionaire ecclesiologie. Zoetermeer.

Rooze, Veerle, 2003, Het product God (paper), Nijmegen 2003.

 

Geraadpleegde literatuur:

 

Von der Dunk, H.W., 2000, De verdwijnende hemel, over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw, Amsterdam.

Groot, Ger, 1998, Twee zielen, Nijmegen.

Küng, Hans, 1996, Grote christelijke denkers, Kampen.

Maneschijn, Gerrit, 2002, Riskante humaniteit, over de civilisatie van de gewelddadige mens, Tielt.

Sperna Weiland, J., 1999, De mens in de filosofie van de twintigste eeuw, Amsterdam.

 

 

bijlage

 

10 aanbevelingen.

1. Maak gebruik van de hernieuwde belangstelling in de samenleving voor geloof/traditie. Sleutelwoorden zijn ‘identiteit’ en ‘gemeenschap’.

 

2. Wees gastvrij. Investeer in uw keuken.

 

3. God is geen product. Maak dus spaarzaam gebruik van bedrijfs- en p.r.technieken.

 

4. Verspil geen tijd aan het maken van een duimendik beleidsplan. Veel meer voordeel valt te halen uit een sensitieve houding m.b.t. het toeval.

 

5. Ontwikkel een duidelijk profiel. Zorg voor avontuur. Bedenk dat beleven voor de mensen prioriteit heeft boven belijden.

 

6. Veel impulsen komen uit het globale netwerk. Stimuleer deelname daar aan.

 

7. Werk aan kwaliteit. Het sublieme is belangrijker dan het schone. Zoek juist de spanningsvelden op.

 

8. Zonder humor werkt het niet.

 

9. De weerbarstige realiteit levert niet zelden een betere sleutel tot schriftuitleg dan de studeerkamer.

 

10. Het allerbelangrijkste: geloof in God.