Oud Nieuws

Op deze pagina komen wisselende teksten uit het archief, zoals die ook regelmatig in "Mededelingen" verschijnen.
  1. Dieverij
  2. 250 jaar de Gang
  3. Behoeftige reizende Doopsgezinde broeders en zusters
  4. College van Diakenen
  5. Herkenbaarheid kerkgebouw
  6. Oude foto's van ds. Binnerts en zijn gezin
  7. Wij bidden u voor zijne Majesteit den koning van Holland
  8. Oud nieuws in het nieuwe jaar
  9. Van hoogbejaarde voorzangers en jeugdige naijver
  10. Echte Oude Koeien
  11. Hollandsche zeep

Dieverij

Zomaar een passage uit het notulenboek van de regenten en regentessen van het Doopsgezinde armenhuis. Het betreft de vergadering van 7 juli 1787:

"Extraordinaire comparitie op zaterdag 7 julij des voormiddags voor twaalf uuren op de boete van zes stuivers.
Dewijl men bemerkt heeft dat Jacomijntje Otto die bij art. 3 der zitting van laastleeden woensdag als hier voor eenige tijd besteed zijnde door Regenten is onderhouden en tot een onbesprooken gedrag was aangemaand, zich zelf reeds bij haare komst in dit huis niet geheel vrij bevond van dieverij (eene hebbelijkheid die haar seederd verscheide jaren reeds ongelukkig gemaakt heeft) want dat zij zich had weeten meester te maken van zeeker zilver gespje dat toebehoorde aan het kind van die vrouw daar zij toen voor meid gedient had, een welk gespje zij, toen men haar desweegens aansprak, niet dan zeer schoorvoetende had overgegeeven, zoo heeft men, de schadelijke invloed van zoodanige gevallen voor dit huis overweegende en voor erger beducht, beslooten van het gebeurde te kamer van diakenen kennis te geeven, die goedgevonden hebben aan regenten hun daarop genoomen besluit te communiceeren om gemelde Jacomijntje weederom tot november aanstaande in het werkhuis deezer stad ter inwooning te bezorgen verzoekende dat regenten haar ten dien einde zoodra mogelijk gelieven uit dit huijs te ontslaan en derwaards te doen geleiden, welk besluit haar heeden ter kamer van regenten ontbooden zijnde word aangezegt en na haar tot een beeter gedrag zeer ernstig vermaand te hebben geeft men den Binnevader last haar de kleederen van dit huis te doen uittrekken en in haar vorige kleeding ten vier uuren in 't werkhuis te brengen. Allen Teegenwoordig
Praeses
Jacob Engelgeer"

(Bron: Archief VDGH, inventarisnummer 902, pagina 180)

250 jaar de Gang

Precies 250 jaar geleden, op 5 mei 1757 werd in het Resolutieboek van de Vlaamse en Waterlandse Doopsgezinde gemeente aan de Peuzelaarsteeg, de volgende passage opgeschreven:

" De inkoop van het huijs in de Groote Houtstraat geapproprieerd tot een ingang in onze doopsgezinde kerk, waarvan op de 17den April 1757 't eerste gebruijk is gemaakt, is aan deeze gemeente prezent gedaan door de navolgende perzoonen:
Mejuffrouw de weduwe van den Heere Abraham Barnaart,
Mejuffrouw de weduwe van den Heere Gerard Hugaart,
Mejuffrouw de weduwe van den Heere Willem Philip Kops,
De Heeren
Pieter Teijler van der Hulst,
Izaäk Verhamme; en
Willem van Vollenhoven

Vervolgens is goedgevonden boven gemelde juffrouwen door een deputatie van Dominus en Diäkon te bedanken waar toe gekommitteerd zijn Dominie Jan Fijnje en Pieter Verhamme. Zijnde dit door hen verrigt."

Het gaat hier natuurlijk over de ingang aan de Grote Houtstraat 45, tegenwoordig in gebruik als expositieruimte De Gang. Op dit moment wordt De Gang, samen met het winkelpand er naast (Grote Houtstraat 43), grondig verbouwd tot winkelruimte, annex expositieruimte, zodat straks nog meer mensen toegang tot de Doopsgezinde kerk zullen krijgen. De zes weldoeners van weleer kunnen tevreden zijn.

(Bron: Archief VDGH, inventarisnummer 1582, pagina 76)

Behoeftige reizende Doopsgezinde broeders en zusters

In het archief bevindt zich een boekje met daarin 'Aantekeningen Wegens Uitgereikte Gelden aan Behoeftige Reizende Doopsgezinde Broeders en Zusters, beginnende den 14 de September 1829'. Regelmatig meldden zich aan de kerkdeur al dan niet Doopsgezinde mensen die op doorreis waren en daarvoor reisgeld nodig hadden. Sommigen konden zich keurig identificeren, anderen niet. Vandaar dat de passantenmeester (een van de diakenen die belast was met de afhandeling van dergelijke verzoeken) altijd probeerde na te gaan of hij met een oplichter of landloper van doen had. En dat bleek in vele gevallen inderdaad het geval:

Op den 2de october 1891 is door A. Bos verzocht om de noodige gelden te ontvangen om met zijn gezin naar Leeuwarden te kunnen verhuizen. Na ingesteld onderzoek van dit gezin bij dominee M. van Geuns te Leeuwarden is gebleken dat het beter ware aan die lieden niets te geven, en hen stil aan hun lot over te laten. Dienovereenkomstig is in de Diakenvergadering van 8 october 1891 besloten. A. de Haan.

In de zomer van 1895 meldde zich een zekere Broer Kerst Bottema bij diaken Leonard Springer. Deze Bottema beweerde familie te zijn van dominee Kielstra uit Middelburg. Hij vroeg reisgeld om van Haarlem naar Groningen te kunnen reizen. Springer gaf hem fl. 1,50, maar schreef voor de zekerheid dominee Kielstra om inlichtingen. De briefkaart met het antwoord uit Middelburg is bewaard gebleven:

Aan den Weledele heer Leonard A. Springer, tuinarchitect, Haarlem

Weledele Heer! Op uw schrijven van 11 juli kan ik u mededeelen dat een persoon van dien naam steeds reist. Hij moet altijd ergens heen en ontvangt dan geld. In de Zondagsbode is reeds meermalen gewaarschuwd tegen hem. Heet de man werkelijk zooals hij opgeeft dan deugt hij niet en heet hij niet zoo (er schijnt een compagnon op dien naam te reisen) dan deugt hij evenmin. Ik weet van deze niets, dan dat ik zoo geregeld eenige keeren per jaar uit verschillende oorden dergelijke vragen om inlichtingen ontvang. Nu eens wordt hij roodharig en pokdalig geteekend, dan donkerblond, dan zwart. Er was vroeger iemand van dien naam in onze familie die letterlijk tot niets deugde. Misschien is het die persoon misschien een ander. Maar treurig is het zeker, dat ik zoo schrijven moet.
Hoogachtend, A. Kielstra
Middelburg 13 juli 1895.

(Bron: Archief VDGH, inventarisnummer 800)

College van Diakenen

Het College van Diakenen werd in 1963 afgeschaft. Ondersteuning van behoeftige ledematen was grotendeels overgenomen door de burgerlijke gemeente en overige taken kwamen onder verantwoording van de kerkenraad. Waar hebben de diakenen zich eigenlijk zoal mee beziggehouden? We doen een greep uit het besluitenboek over de jaren 1785-1903 (Archief VDGH, inv.nr. 754):

Brandspuit
1800 april 17. Besloten de spuit tweemaal 's jaars te probeeren op de dagen van den Liefdemaaltijd met Paschen en Augustus.

Ziekte
1803 maart 3. Ter voorkoming van misbruik zal de koster ingeval een zieke van een der hofjes zulks noodig heeft slechts 1 a 2 halve fl. wijn mogen afgeven; wanneer er meer wordt gevraagd, moet hij voor de afgifte aan de Vergadering kennis geven.

Alimentatie
1807 december 17. Besloten dat, buitengewone gevallen uitgezonderd, de hoofden des huisgezins zelve zullen moeten komen om hunne verzoeken in te brengen.

School
1810 july 26. Het kind eener zuster op de school geweigerd daar het buiten echt gewonnen en dus een voorwerp ten laste dezer stad is.

Bestedehuis
1816, maart 14. Besloten het armhuis in een Bestedehuis te hervormen.

Vaccine
1823, mei 22. Wordt besloten de bedeelden op verbeurte van alimentatie tot het vaccineren te verpligten; evenwel met deze bepaling dat omtrent de zoodanigen die uit wezentlijke zedelijke gemoedsbezwaren verklaren daarin zwarigheid te maken, door de vergadering een afzonderlijk besluit zal genomen worden.

Herkenbaarheid kerkgebouw

Vandaag de dag lukt het iedereen om onze kerk te vinden. Fysiek of virtueel, via routeplanner, navigatiesysteem of google. De Doopsgezinde gemeente laat flink van zich horen. Vroeger stelde men zich bescheidener (of zo u wilt beslotener) op, getuige de volgende passage uit het notulenboek van de kerkenraad:
31 maart 1932

"Een teleurgestelde vreemdeling die op 2e paasdag den dienst in onze kerk had willen bijwonen, maar de kerk maar niet had kunnen vinden- en tenslotte te laat kwam, heeft hierover een brief aan onzen kerkenraad geschreven. Naar aanleiding hiervan wordt de Bouwcommissie ter overweging gegeven of het niet mogelijk zou zijn bij den ingang aan de Grote Houtstraat op een of andere bescheiden manier kenbaar te maken dat het de ingang is tot de Doopsgezinde kerk."

Er werd direct werk van gemaakt en al in de volgende vergadering (28 april 1932) verslag gedaan:

"Confrater De Reede deelt namens de Bouwcommissie mede dat aan de post van de groote kerkdeur aan de Groote Houtstraat een bordje bevestigd zal worden waarop de naam van onze Gemeente vermeld zal staan, om een aanwijzing te wezen voor zoekers naar ons kerkgebouw."

Het begin was er: Illustratie: Ingang Grote Houtstraat, nog zonder bordjes, circa 1912

(Bron: Archief VDGH, inv.nr. 36, notulen kerkenraad 1925-1933, pp.244-247; fotocollectie Fonds van Zanten)

Oude foto's van ds. Binnerts en zijn gezin

In de fotocollectie van de het archief van de VDGH bevindt zich een doosje met 34 glasplaten, waaronder deze twee huiselijke foto's die gemaakt moeten zijn rond 1910. Te zien is dominee Arjen Binnerts Szn. (1865-1932) en zijn gezin. Binnerts was van 1907 tot vlak voor zijn dood in 1932 predikant bij de doopsgezinde gemeente Haarlem en woonde met zijn vrouw Antje van Calcar en hun twee zoons Sjoerd Gerben en Coert in het Wilhelminapark op nr. 16. Binnerts was bekend en geliefd om zijn evenwichtige en opgeruimde persoonlijkheid en was een der richtinggevende figuren binnen vrijzinnig christelijk Nederland. Het doopsgezinde geloof omschreef Binnerts als volgt: "Een doopsgezinde is een protestant, die uit een schoon en vroom verleden heeft bewaard dat godsdienst allermeest is een zaak van hart en leven".

(Bron: Fotocollectie VDGH, collectie glasplaten Doopsgezind Zangkoor, nrs. 10 en 11)

Wij bidden u voor zijne Majesteit den koning van Holland

Tweehonderd jaar geleden, om precies te zijn op zondag 23 juni 1806, stelde de Franse keizer Napoleon Bonaparte zijn broer Lodewijk officieel aan als koning van het koninkrijk Holland. Ook de doopsgezinde gemeente Haarlem kon daar niet onderuit. Op diezelfde zondagmorgen 23 juni 1806 ontvingen de diakenen vlak voor de preekdienst een schrijven van de wethouders van de stad Haarlem. Het betrof een stuk uit het register der Decreeten en Besluiten van de koning met de volgende inhoud:

"In achting genomen zijnde, dat de tegenwoordige orde van zaken vordert, dat in de kerken der onderscheiden gezindheden in de openbare gebeden worde gebruik gemaakt van zeker formulier voor den souverein van dit land is daar toe gearresteerd het navolgende:
Wij bidden u voor zijne Majesteit den koning van Holland onzen souverein, voor haare majesteit de koningin en voor het verder koninklijk huis.
Wordende bij deze gelegenheid de leeraren van onderscheidene gezindheden zeer ernstig aangemaand zich in hunne gebeden en leerredenen zorgvuldig te onthouden van alle uitdrukkingen, die de regeering van dit land of den toestand van hetzelve in een min gunstig licht zoude kunnen doen beschouwen, en integendeel de gemeente tot een gepast gedrag op te wekken. [...]"

De wethouders voegden er aan toe: "Wij vertrouwen dat het onnoodig zijn zal, u van onzentwege op te wekken, om aan het bij laatst gemeentelijk decreet en besluit van zijne Majesteit den Koning van Holland met die volvaardigheid te voldoen, als het gewigt dier zake vordert. Ons daarop gerustelijk verlatende bevelen zij u in Gods bescherming. Haarlem den 20en junij 1806. Wethouders der stad Haarlem."

En in het notulenboek van de doopsgezinde gemeente lezen we het koningsgezinde besluit: "En heeft de kerkenraad besloten, de dienaren te verzoeken om bovengemelde aanschrijving na de predikaatsie aan de gemeente bekend te maken, en aan den inhoud derzelve te voldoen."

(Bron: Archief VDGH, inventarisnummer 19, notulenboek Kerkenraad VDGH, pp. 224-225)

Oud nieuws in het nieuwe jaar

Er is een nieuw jaar in aantocht en na de feestdagen gaan we weer over tot de orde van de dag. Dat moet honderd jaar geleden ook de kerkenraad gedacht hebben. Enkele fragmenten uit de notulen van de kerkenraadsvergaderingen van 4 januari en 1 februari 1906:

Ingekomen is een brief van confrater P. Dyserinck, waarin hij zijne bevreemding uit dat de heer Swart met 17 à 18 kinderen van circa 13-jarigen leeftijd der hoogste klasse gedurende 3 dagen in den schooltijd naar Limburg is gereisd. Wordt besloten aan de schoolcommissie dezen brief toe te zenden met verzoek om opheldering.

De Kerkeraad der Vereenigde Doopsgezinde gemeente te Amsterdam verzoekt eene bepaalde verklaring om welke reden onze vergadering van 7 december 1905 heeft besloten de attestatie van J. van W. definitief te weigeren. Aan den Kerkeraad te Amsterdam zal geantwoord worden:

  1. dat uit een gesprek van een onzer diakenen met een der boekhouders van Amsterdam gebleken is, dat mej. van W. te kwader naam en faam bekend stond,
  2. dat zij, hier te Haarlem komende, al ondersteuning vroeg, voordat zij lid onzer gemeente was,
  3. dat zij gebleken is eene oplichtster te zijn.
Redenen waarom onze kerkeraad de attestatie niet heeft aangenomen.

Het hoofdbestuur der Vereeniging tot verspreiding van 'Stichtelijke Blaadjes' deelt mede, dat een tweewekelijkse verspreiding van vrijzinnige preeken op grooten schaal zal worden ondernomen en vraagt of onze gemeente ook behoefte heeft aan deze preeken. Wordt voor kennisgeving aangenomen.

Het Comité tot popularisatie van het Wetsvoorstel betreffende het onderzoek naar het Vaderschap noodigt bij monde van den heer G. Velthuizen Sr. den Kerkeraad onzer gemeente uit zich persoonlijk of schriftelijk te doen vertegenwoordigen op de vergadering die 26 januari alhier zal gehouden worden in het belang dier popularisatie. Wordt voor kennisgeving aangenomen.

Aan Heeren Directeuren van het Fonds tot den Predikdienst wordt toegestaan de 'Spekplaats' te gebruiken voor materiaal met 't oog op verbouwing.

(Bron: Archief VDGH, inventarisnummer 33, notulenboek kerkenraad VDGH, pp. 91-97)

Van hoogbejaarde voorzangers en jeugdige naijver

Ook twee eeuwen geleden had men al last van 'vergrijzing' en moeite om de jeugd bij de kerk te betrekken. Dit bleek in 1808: dominee Petrus Loosjes en Adriaan Loosjes maakten zich zorgen om de invulling van de posten van voorlezer en voorzanger van de gemeente, op dat moment bekleed door "een paar oude lieden, die gedurig verzwakken". Dirk van Voorst en Abraham van de Kasteelen waren inderdaad behoorlijk op leeftijd (beiden dik in de zeventig) en Van Voorst was toen al 27 jaar voorzanger. De Loosjes' verzochten de kerkenraad uit te zien naar jongere broeders die het werk van hen zouden kunnen overnemen. Op 24 maart werd een buitengewone vergadering belegd en daarin voorgesteld om "daar de hooge jaren van onze beide voorlezers en voorzangers het waarschijnlijk maken, dat onze gemeente nog maar korten tijd van hun zal kunnen gediend worden, en dat, wanneer de tegenwoordige voorlezers ons eensklaps ontvielen, het mogelijk zijn zou dat zich geene geschikte voorwerpen onder de meest daar toe gequalificeerde broeders dezer gemeente zouden opdoen, voor nu en het vervolg, een of meer der leeraren, welke het onderwijs der jeugd dezer gemeente is aanbevolen, te verzoeken om een aantal van zes jonge broeders of vergevorderde cathegisanten die, zoo uit hoofde van levensstand of aanleg, eenige geschiktheid schijnen te hebben tot den post van voorlezer om de veertien dagen een uur in de kerk of kerkenkamer onderwijs te geven in het doelmatig lezen der Heilige Schrift en der Christelijke Gezangen en liederen bij deze gemeente in gebruik."
De kerkenraad had goed begrepen dat de jeugd niet direct in de rij zou staan voor een baantje als voorlezer of voorzanger en besloot daarom "om den na-ijver onder deze jongelingen op te wekken, dezelve eenmaal 's jaars (en wel den avond voor het zomerliefdemaal) van hunnen bekwaamheden en vorderingen in tegenwoordigheid van den kerkenraad proeven te laten geven en dan aan den meestgevorderden ter aanmoediging uit te reiken fl. 14,00, aan den naastbijkomenden fl. 10,10, aan den derden fl. 7,00 en de overigen hoofd voor hoofd fl.3,00."

(Bron: Archief VDGH, inv.nr. 19, resolutieboek van de kerkenraad, 1801-1809, pp.317-320)

Echte Oude Koeien

Koe gesloken, doop geweigerd

Traditiegetrouw werd bij de doopsgezinden begin november en met Pasen gedoopt. En een bewijs van goed gedrag was dan nooit weg. Zo ook bijna honderdvijftig jaar geleden, in 1859. In het notulenboek van de kerkenraad lezen we in de notulen van 3 november 1859: "Er komt geen der broederen, die bedenking inbrengt tegen het toelaten van de voorgestelde doopelingen tot den doop. Ook is er in de vergadering niemand, die daartegen, althans wat de meesten hunner betreft eenig bezwaar in het midden brengt. Alleen ten aanzien van F.J. Luyken deelt dominee De Lanoy een nameloozen brief mede, waarin aan dien doopeling, behalve andere beschuldigingen, te last wordt gelegd, dat hij drie dagen na het afleggen van zijne belijdenis eene koe heeft gesloken. Het laatste feit (niet de andere beschuldigingen) is geconstateerd en door Luyken zelven erkend, en op grond van die bekentenis besluit de vergadering zonder op den naamloozen brief acht te slaan, om aan Luyken voor deze reis den toegang tot den doop te ontzeggen. Dominee De Lanoy zal hem met dit besluit bekend maken. De overige doopelingen zullen tot de doop toegelaten worden" (Archief VDGH, inv.nr. 25)

Sluiken is een deftig woord voor stelen of smokkelen. Kennelijk werd hiermee ook de zwaarte van het misdrijf gebagatelliseerd want al met Pasen 1860 werd Van Luyken gedoopt. Van Luyken was van katholieke afkomst. De initialen F.J. staan voor Franciscus Johannes. Hij diende in 1857 samen met zijn vrouw bij de kerkenraad het verzoek in om catechisatie te volgen en belijdenis te doen. Zou de 'nameloozen brief' vol beschuldigingen afkomstig zijn van een rasechte doopsgezinde die nog vol wrok was over de middeleeuwse vervolgingen van doopsgezinden door de katholieke inquisitie?

Hollandsche zeep

In de bibliotheek bevindt zich een klein boekje met de curieuze titel "Hollandsche zeep tegen de uytheemsche vlecken en vuyyligheden, daermede Petrus Bontemps, Walsche predicant tot Haerlem, door sijne Schriften nu onlanghs uyt-ghegeven, de Mennoniten heeft soecken te bekladden" (Amsterdam, 1643).
De schrijver maakte gebruik van een pseudoniem, Gerard van Vrijburgh. Achter deze naam ging Abraham Davidsz.Volbot schuil, lid was van de Doopsgezinde gemeente De Blok in Haarlem. Het boekje maakt deel uit van een polemiek tussen de Haarlemse gereformeerde predikant Petrus Bontemps aan de ene kant en aan de andere kant Volbot en de Amsterdamse doopsgezinde Joost Hendriksz. Bontemps schreef in 1641 zijn "Kort bewijs van de menighvuldige doolingen der Wederdoopers ofte Mennisten (1641). Hendriksz. schreef een verweer in 1643 waarin hij Bontemps wees op de recente gewelddadige vervolgingen van Doopsgezinden in Zurich. Toen Bontemps reageerde met een bagatellisering van hetgeen zich in Zurich afspeelde, mengde Volbot zich in de strijd en publiceerde zijn "Hollandsche zeep". Bontemps hapte toe, waardoor Volbot zich genoodzaakt zag een tweede boekje te schrijven dat in 1644 verscheen onder de titel "Loogh-Water op de Laster-Vlecken van P.B". Hiermee wist hij Bontemps mond te snoeren.
Terwijl Bontemps en Volbot elkaar op papier bevochten, riepen de zo vervolgde Doopsgezinden in Zurich de hulp in van hun geloofsgenoten in de Nederlanden. Talloze collecten en hulpacties werden gehouden en in 1660 dienden de Hollandse Doopsgezinden een verzoek in bij de Staten-Generaal en het stadsbestuur van Amsterdam, die op hun beurt het stadsbestuur van Zurich verzochten om de Doopsgezinden daar toestemming te geven in vrijheid de stad te verlaten. Zurich weigerde: na decennia inmiddels woonden er nog maar een kleine 50 Doopsgezinden in de stad.

Volbot bediende zich van het pseudoniem Gerard van Vrijburgh en schreef onder de zinspreuk "Swijgen heeft sijn tijdt, spreken heeft sijn tijdt"

terug naar archiefpagina

Opmerkingen over deze pagina: webmaster Versie 25 mei 2007